Back to Access
NL 
MBO/BOL4
Conclusies (> Conclusions)
Conclusies uit het Leonardo project DUOQUAL voor het secundair beroepsonderwijs in Nederland

Trudy Moerkamp & Eva Voncken
SCO Kohnstamm Instituut, Universiteit van Amsterdam 

Dezember 1999 

De positie van het Nederlandse beroepsonderwijs
Brede beroepsvoorbereiding en beroepskwalificatie
Flexibele leerroutes en individuele keuzes
Didactiek van het (beroeps)onderwijs
Algemene vorming binnen beroepsopleidingen

Verweis auf Fallstudie zu NL: MBO/BOL4.


In de periode 1996-1998 is een vergelijkende studie uitgevoerd in zeven EU/EFTA-landen: Frankrijk, Noorwegen, Oostenrijk, Duitsland, Zweden, Engeland en Nederland. Het project werd uitgevoerd binnen het Leonardo programma met betrekking tot de centrale vraag: "how to increase the attractiveness and status of initial vocational education and training". In de periode 1998-2000 zijn de resultaten van het INTEQUAL-project toegepast in zeven nieuwe landen: Zwitserland, Portugal, Griekenland, Finland, Tsjechië, Denemarken en Italië. 
    Het onderwerp van de gemeenschappelijke studie was de mogelijkheid die er in de landen geboden wordt om parallel aan de beroepsopleiding een kwalificatie te verwerven die toegang geeft tot het hoger onderwijs. In sommige landen werden relatief nieuwe opleidin-gen met een dubbelkwalificerend karakter bestudeerd of pilots. In andere landen betrof het opleidingen of leerroutes met een reeds gevestigde positie in het systeem voor beroepsonderwijs of innovaties die het gehele onderwijssysteem betroffen.
In deze notitie worden de resultaten van de studies geanalyseerd tegen het licht van de Nederlandse situatie. In het kort worden enkele conclusies geformuleerd voor het Nederlandse beroepsonderwijs: welke lessen kunnen worden geleerd van de andere landen, welke gemeenschappelijke problemen doen zich voor, welke ontwikke-lingen in de andere landen zouden ten behoeve van de Nederlandse situatie een nadere studie waard zijn.

De positie van het Nederlandse beroepsonderwijs 

In vergelijking met de andere Europese landen, heeft het Nederlandse beroepsonderwijs een tamelijk bijzondere positie. In de meeste andere landen zijn de leerwegen in het algemeen onderwijs en de leerwegen in het (schoolse) beroepsonderwijs niet zo sterk van elkaar gescheiden. De meeste landen kennen de (reguliere) mogelijkheid om over te stappen van de beroepsgerichte leerweg naar de algemene. Verdergaande vormen van integratie door bijvoorbeeld de mogelijkheid om vakken of modulen uit beide leerwegen te kiezen, zien we bijvoorbeeld in Engeland en Finland. In Zweden en Noorwegen zijn beide leerwegen geheel geïntegreerd. In Griekenland wordt met een geïntegreerd systeem geëxperimenteerd. 
    Integratie van algemeen onderwijs en beroepsonderwijs is in de andere Europese landen een belangrijk item. In Nederland staat dit onderwerp niet op de agenda. 
    Het is de vraag of het ondanks of dankzij deze scheiding van leerwegen is, dat het Nederlands secundair beroepsonderwijs succesvol is in die zin dat relatief veel leerlingen een opleiding volgen in het beroepsonderwijs. Ongeveer 50% van de 16-17 jarigen volgt een studie in het secundair beroepsonderwijs. In andere Europese landen is het algemeen onderwijs bij verreweg de meeste leerlingen favoriet (bijvoorbeeld in Frankrijk) en heeft het beroepsonderwijs met statusproblemen te kampen. 
    In veel van de andere landen is er grote belangstelling voor het Nederlandse beroepsonder-wijs, omdat er goede resultaten worden behaald met betrekking tot instroom, doorstroom naar de arbeidsmarkt en doorstroom naar hoger onderwijs. Het feit dat het dubbelkwalifice-rend karakter van het Nederlandse mbo er niet toe geleid heeft dat een grote meerderheid van de leerlingen deze opleiding gebruikt als opstap naar het hoger onderwijs, is voor veel landen een interessant gegeven.
    Er zou kunnen worden gesteld dat het Nederlandse secundaire beroepsonderwijs geen statusproblemen heeft. Dit is echter een te simpele stelling. Ook in Nederland geldt waarschijnlijk dat de meeste ouders en leerlingen een schoolloopbaan in het algemeen onderwijs prefereren boven een schoolloopbaan in het beroepsonderwijs. Wellicht is het eerder de sterkere selectie en scheiding van leerwegen in de eerste fase van het voortgezet onderwijs, die tot een relatief grote toestroom naar het secundair beroepsonderwijs leidt. In de meeste andere landen is het onderwijs tot 15/16-jarige leeftijd geïntegreerd. Systemati-sche gegevens over keuzes en voorkeuren van ouders en leerlingen in Nederland met betrekking tot de keuze voor beroepsonderwijs of algemeen onderwijs, zijn echter niet voorhanden.

Brede beroepsvoorbereiding en beroepskwalificatie 

In de meeste landen doet zich het dilemma voor: hoe kunnen leerlingen in het beroepson-derwijs zodanig opleid worden dat ze gekwalificeerd zijn voor directe intrede op de arbeidsmarkt zonder dat het beroepsonderwijs zijn algemene en brede karakter verliest. Deze vraag is belangrijk uit het oogpunt van dubbelkwalificaties, omdat een brede opleiding doorstroom naar hoger onderwijs mogelijk maakt. Maar de vraag is ook van belang met het oog op flexibiliteit op de arbeidsmarkt.
    In Frankrijk, Engeland, Zweden en Noorwegen zijn of worden er maatregelen genomen om het aantal beroepsrichtingen te beperken. De keerzijde van deze verbreding en veralgeme-ning is dat het beroepsonderwijs eerder 'pre-vocational' wordt dan 'vocational'. Bijvoor-beeld in Engeland wordt men met het probleem geconfronteerd dat de GNVQ's nauwelijks een beroepskwalificerend karakter hebben. Door het overgrote deel van de leerlingen (80%) wordt deze leerroute dan ook gebruikt als doorstroomroute naar het hoger onderwijs. In Nederland kennen we dit probleem nog niet, hoewel het doorstuderen in het hbo ook hier de laatste jaren is toegenomen. Sinds kort zien we echte een lichte afname, waarschijnlijk als gevolg van de goede arbeidsmarktperspectieven die veel mbo-afgestudeerden doet kiezen voor directe intrede op de arbeidsmarkt in plaats van een vervolgopleiding. 
    Tot nu toe slaagt het beroepsonderwijs in Nederland er goed in, om gekwalificeerde studenten af te leveren die bij werkgevers zeer in trek zijn. Toch kan Nederland iets leren van de 'verbredings-discussie' in de andere Europese landen. Deze verbreding is er vooral op gericht om studenten een brede basis te bieden met relatief veel algemene elementen, zodat er een goede ondergrond is voor verdere studie en levenslang leren. Met het oog op toekomstige ontwikkelingen op de arbeidsmarkt zou dit een strategie kunnen zijn die niet zonder meer afgewezen moet worden.

Flexibele leerroutes en individuele keuzes 

Zoals hiervoor al is gezegd zijn in Nederland het beroepsonderwijs en het algemeen onderwijs twee geheel van elkaar gescheiden systemen. Toch lijkt het vanuit de ervaringen in andere Europese landen niet onzinnig, om enige vorm van integratie tussen beide systemen op z'n minst ter discussie te stellen. In Engeland, Zweden, Noorwegen en Finland hebben de leerlingen de mogelijkheid om beroepsgerichte vakken en algemene vakken met elkaar te combineren. Dit biedt leerlingen bijvoorbeeld de mogelijkheid om zich binnen het beroepsonderwijs voor te bereiden op een vervolgstudie in het hoger onderwijs. In Nederland zijn er ingewikkelde discussies gewijd aan de doorstroomkwalificatie in het mbo. De mogelijkheid om één of enkele vakken in het havo te kiezen had dit probleem wellicht makkelijker kunnen oplossen. Maar ook voor het algemeen onderwijs zou het bieden van keuze mogelijkheden 'door de systemen heen' perspectief kunnen bieden. Bijvoorbeeld met het oog op de bevordering van keuzes voor de techniek, zou het voor havo/vwo leerlingen mogelijk moeten zijn om technische vakken (of toegepaste science-vakken) in het beroepsonderwijs te kiezen. Dit zou wellicht ook de 'omwegen' van havo-gediplomeerden via mbo naar hbo kunnen voorkomen, een 'omweg' die nog steeds door ongeveer een kwart van de havo-gediplomeerden gekozen wordt. 

Didactiek van het (beroeps)onderwijs 

In veel Europese landen, -met name in Duitsland, Engeland, Noorwegen en Zweden-, is er binnen de beroepsgerichte leerwegen al langere tijd een traditie van projectmatig werken, vakkenintegratie en actief onderwijs. In Engeland wordt expliciet gewezen op de grote nadelen van het gemoduleerde onderwijs waarin vooral deelvaardigheden verworven en getoetst worden en integratie van kennis en vaardigheden te weinig aandacht krijgt. Ook in Nederland lijkt het strikte gemoduleerde onderwijs op z'n retour. Er wordt geëxperimen-teerd met probleemgestuurd onderwijs of andere vormen van projectmatig werken. Omdat er in de andere europese landen al langer ervaring is opgedaan met deze wijze van werken, zou een nadere studie van de ervaringen, problemen en mogelijkheden, voor- en nade-len, de moeite waard zijn.

Algemene vorming binnen beroepsopleidingen 

In vergelijking met de andere Europese landen is het beroepsonderwijs in Nederland pragmatisch, gericht op het verwerven van beroepsvaardigheden, en utilistisch. Een uitzondering is Engeland, dat in dit opzicht sterk op Nederland lijkt. In Duitsland, Frankrijk, Zweden, Noorwegen en Portugal wordt er in het beroepsonderwijs niet alleen gekeken naar kwalificaties die nuttig en belangrijk zijn voor de directe beroepsonderwijs, maar wordt aan het onderwijs in het algemeen, -dus ook aan het beroepsonderwijs-, ook altijd een vormende waarde toegekend. In de genoemde landen gebeurt dit vanuit verschillende tradities. In Frankrijk staat vooral kennis van en deelname aan de cultuur voorop. In met name Noorwegen en Duitsland gaat het vooral om 'normen en waarden' en vorming van de persoonlijkheid. In Zweden en Noorwegen kent men een core-curriculum dat gelijk is voor zowel leerlingen in de algemene opleidingen als leerlingen in de beroepsopleidingen. Het gaat dan om vakken als: moderne vreemde talen, creatieve vakken, maatschappijleer. 
    Uiteraard wordt ook in Nederland erkent dat het beroepsonderwijs een functie heeft in de 'maatschappelijke kwalificatie' van leerlingen. Deze derde kwalificatie-functie van het beroepsonderwijs is zelfs in de wet vastgelegd en er zijn, met vallen en opstaan, eindter-men ontwikkeld voor MCK. De maatschappelijke kwalificatie van leerlingen is echter in de loop der jaren steeds beroepsgerichter ingevuld. Vaak gebeurt dit ook onder verwijzing naar de motivatie van leerlingen. 
Vanuit de ervaringen in andere Europese landen, zou de maatschappelijke kwalificatie van leerlingen in het beroepsonderwijs opnieuw bezien moeten worden. Juist omdat er in Nederland zo'n groot deel van de jongeren naar het beroepsonderwijs gaat, is deze onderwijsvorm van groot belang als het gaat om zaken als burgerschapsvorming, sociale integratie, culturele vorming en maatschappelijke participatie.

Top of the page
 First set up: 19/01/2000
Latest update: 19/01/2000
 Contact: Sabine Manning
© WIFO